blauw!

agent

‘k heb toezicht
– camera’s –
zwaarwichtigd hij

zit mijn dasje recht
mijn jasje goed

nuchtere bestuurders
schampert hij lensblikkend
– de commissaris van politie-
dronkemanspraat
dát is het

wát nou
méér blauw op straat
met bob
– de bewust onbeschonken bestuurder –
is dát een loze belofte

wíj
wíj gaan voor bert
beschonken, en rijdt toch

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, 28 januari 2002

echte waarde

echte waarde

er is angst
er is isolatie
er is hamstergedrag
er is ziekte
ja dood is er zelfs
er is zelfs dood

maar

we horen de vogels weer
zien elkaar op afstand
beter nu dan dichtbij
de lente kondigt zich
zoals alle jaren weer
onder kleurrijke hemel
die van donkergrijs
naar hemelblauw tint
mensen zingen voor elkaar
klappen en applaudisseren
langs de kant van de weg
of staand op een balkon
openen de ramen weer
voor een groet of gesprek
die de afstand overbrugt

we verlangen meer dan ooit
naar het geluid van de straat
dat anders gauw al druk is
we doen dingen voor elkaar
die eerder onmogelijk leken
nu ons de wereld vertraagt
in het kijken en luisteren
naar de mensen om ons heen
in het onzekere perspectief
van nieuwe orde en realiteit
die ons zonneklaar maakt
wat van echte waarde is
de gezondheid en het leven
die niet vanzelfsprekend zijn

echte waarde

  • Corona-verdicht | 27 maart 2020

pokerspel

 

pokerspel

eerst nietsvermoedend nog
van het dodelijk verderf
dat magere hein strooide
hoopte ik wakker wordend
de nachtmerrie te verlaten
waarin als overrijp de appels
uit de boom van leven vielen

als een koude ochtenddouche
was ontnuchterend het nieuws
dat er geen ontsnappen was
aan de haard van het inferno
dat met afgrijselijke explosies
de adem aan mensen beneemt
tot zij het leven laten moeten

als ik nu huis en haard verlaat
doorweekt mij het angstzweet
geplaagd door besef en weten
met vingerhoeden vol van azijn
omdat het blind pokeren blijft
in deze wereldwijde pandemie
om de prijs van gelukkig leven

pokerspel

  • Ver-dicht in corona-tijd | 26 maart 2020

de gekke kippenziekte – verkiezingskoorts

kippen

’t was, -betrekkelijk, maar toch – stil
– de achterliggende jaren –
in ’t kippenhok

slechts het broedse soort
– af en toe –
tokte het leggen van een ei

het enkel kippetje dat kakelen blééf
– geen schoner ei, dan het eigen ei –
werd de veren geplukt

járen was het rustig
en nu
het hele toom is van stok
praat als een kip zonder kop
ze hanen- en kippenpoten
dwars doorheen capelle

het dorp – de stad
– dat spreekt voor zich –
in rep en roer – in paniek
de mensen zijn
– plots en even maar –
geen burgers meer
maar kíezers
met een stém

vóór vrijheid en democratie
hanekamt de één
– eijndenloos –
terwijl binnendijks
– het ei wijzer dan de kip –
de partij van de arbeid
windeierend victorie kraait

het capels belang
– de “zwienen”-stal –
pronkend met vechthoender dijk’s veren –
krulvedert van den akker
en de barnevelder kleurslag
– de staatkundig gereformeerde partij –
kakelt op zeker
gokken doe je niet
beter een half ei, dan een lege dop

van den wijngaard ondertussen
– kriel van christen unie –
kukelekukt het overtuigd
‘sla het eitje in de pan
dan komt er geen slecht kuiken van.’

onderwijl, in ’t groen, links
– men legt niet alle eieren onder één kip –
scharrelen de democraten
– zesenzestig in getal –
want weet je
een blinde kip
vindt ook wel eens wat

en thuis,
– in het keuzen kamp –
tokkelt kloek het christendemocratisch appel
kakelen
kakelen is nog geen eieren leggen
in de broedmachine,
onder moeder ans d’r vleugels
– twaalf eieren, dertien kuikens –
piept het jong fortuin
leefbaar capelle

het dorp – de stad
– dat spreekt voor zich –
in rep en roer – in paniek

de mensen zijn
– plots en even maar –
geen burgers meer
maar kíezers
met een stém

nederland is
– kopt de krant –
niet klaar voor de griep
er kunnen
– beweert men –
véél slachtoffers vallen

maar het rijkshoen
de burger meester
kortbekt het volk
éven nog – éven nog
en dán
dán gaan ze weer op stok

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, 22 januari 2002

ten toon stellen

tentoonstellen

  • passages uit openingsspeech de kunstlobby, capelle aan den ijssel, 25 augustus 2001

Ten toon stellen, het exposeren van uitingen. Dát is waar het bij de door DE KUNSTLOBBY verzorgde exposities om gaat. Of, en hoe, u en ik ons door die uitingen aangesproken voelen, geraakt zo u wilt, dat hangt weer af van de wijze waarop wij ons al dan niet openstellen voor de door de kunstenaar gekozen ‘taal’. De wijze waarop hij aan zijn uiting expressie geeft. Hoe exhibeert hij of zij zich. Het gekozen materiaal, het wel of niet gebruiken van kleuren, de vorm en het al dan niet ‘herkenbaar’ zijn ervan, spelen daarbij een rol. Het ‘elkaar willen verstaan’ is daarbij van wezenlijk belang.

Als politicus, beste mensen, voel ik mij vaker als een onbegrepen kunstenaar of kunstwerk. En dan, dan zet ik mij opnieuw aan het werk. In de wetenschap “alles is al eens gezegd; maar doordat niemand luistert, moet men altijd opnieuw beginnen” (André Gide, Frans schrijver, 1869-1951; Le traité de Narcisse – 1891). Anders gezegd: “Er zijn geen erger doven dan die niet horen willen.” En dat, beste mensen, vraagt een wederzijds ‘op elkaar gericht zijn’.

Jaren terug ging ik voor het eerst naar Spanje toe. Samen met mijn vrouw en kinderen. We bezochten Museros, een even onder Valencia, en buiten het toeristengebied gelegen dorpje. Een Nederlandse vriendin, getrouwd met een Spanjaard, had ons uitgenodigd. Wij arriveerden eerder dan onze vriendin met haar gezin. Maar spraken geen woord Spaans. En toch communiceerden wij met onze gastheer en gastvrouw. Met horten en stoten, máár: het lukte. Door de omstandigheden gedwongen móesten wij wel. Daardoor verdiepten wij ons wederzijds geconcentreerd in wat zij ons en wij hen duidelijk wilden maken. En, wij begrepen en verstonden elkaar! Toen onze vriendin, Spaanssprekend, arriveerde, werd dat meteen anders. Bij alles wat gezegd werd of moest, gebruikten wij haar voor de vertaling. Makkelijk, en effectief. Zeker.

Maar tegelijkertijd werd het contact met de Spanjaarden zelf oppervlakkiger en vluchtiger. Wij hoefden elkaar niet meer te begrijpen, als onze vriendin dat maar deed!

Wat ik maar zeggen wil: “Iedere taal is schoon voor wie luisteren kan. Want in elke taal zingt de gedachte van een volk en de ziel van een mens, en die muziek is universeel.” (J. – Herman Thierry – Daisne, 1912 – 1978, Vlaams schrijver; Met een inktvlek geboren – 1961). Willen wij de door de kunstenaar of kunstenares gebruikte ‘taal’ verstaan, dan moeten wij ons daarin verdiepen. Persoonlijk! “Concentratie in de verhouding tot anderen betekent in de eerste plaats dat men kan luisteren.” (Erich Fromm, Duits-Amerikaans cultuurfilosoof en psycholoog, 1900-1980; Liefhebben, een kunst, een kunde – 1962) Wij kunnen en mogen ons daarbij feitelijk niet verlaten op anderen. De uitleg is aan de bezoekers zelf. Die bepaald, of hij of zij zich wil laten aanspreken door het geëtaleerde. Of, zoals de Poolse schrijver Jerzy Lec het eens zei: “Ik zou veel dingen begrepen hebben, als men ze niet had uitgelegd.”

De door de kunstenaar of kunstenares gekozen uitingsvorm, zijn of haar ‘taal’, is de inkleding van gedachten, gevoelens. Het is niet dé gedachte, hét gevoel, maar een van de vele. “Als er maar één enkele waarheid bestond, zou men niet honderd verbeeldingen van hetzelfde thema kunnen schilderen.” (Pablo Ruiz y Picasso, Spaans schilder, tekenaar, graficus en beeldhouwer, 1881-1973). Waar het om gaat, is de existentie: het zijn, denken en voelen van de ander, die zijn of haar leef- en denkwereld voor ons ontsluit, in woord, beeld of vorm. Als referentie voor de ontwikkeling en het onderhouden van ons eigen bestaan, ons eigen denken en voelen. Daar is moed voor nodig. Want, jezelf ten toon stellen, van je doen spreken, van jouw opvattingen, ervaringen, ambities en kwaliteiten blijk geven, dat is risicovol: wil de ander wel naar je luisteren, naar je kijken? Wil de ander jou wel ervaren? En dan, dan zijn we terug bij waar het om draait: de existentie: het zijn, denken en voelen van de kunstenaar: iedere moedige daad is je reden van bestaan manifesteren!

 

verlangen

verlangen

waar zijn de dagen
dat ik als vrije vogel
op de rug van de wind
gedoopt in regen
sneeuw of zonnestralen
met de stroom mee
of soms er tegenin
overal vliegen kon

met vastgebonden voeten
de vleugels geknipt
achter tralies van glas
zing ik nu gekooid
het lied van verlangen
dat snel een einde komt
aan de horror van angst
die ons het leven verlamt

verlangen

  • Ver-dicht in corona-tijd | 25 maart 2020

opsporing verzocht!

zwerfster

een grijs-bruin-grauwe muis
– in felgroen tentzeilen pak –
winkelwagent haar hebben en houwen
door het steedse dorp
dat “schande” schampert
zo een zwerfster
– vandaag de dag –
heeft toch geen pas

opgeruimd moet ze
“staat netjes”
wordt gesproken

het smeulend ongenoegen
vlammend geholpen
– door jeugdig vandalisme –
ver-ast haar laatste goed
als de maatschappij
haar beton-gedekte buitenverblijf
én vrijheid neemt

opgeruimd moet ze
“staat netjes”
wordt gesproken
en het plaatsje
– háár plaatsje –
is grijs-grauw leeg nu

wat rest is het knagend vragen
– luider groeiend –

hoe toch
hoe toch is het haar vergaan
waar toch
waar toch is zij gebleven
óns vrouwtje
óns vrouwtje barendrecht

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, januari 2001

belofte van herstel

narcis
waar ik kijk naar de kisten
die veel te vaak en zo frequent
door steegjes en straten gaan
verduistert ons een grote wolk
alle dagen zoals de nachten zijn
die wij het liefst verjagen willen
met het zaad van vierend leven

waar de ruimte van de afstand
zich met zwarte sluiers behangt
voor processies van een afscheid
zouden wij liefst met miljoenen
fakkels en vreugdevuren ontsteken
om zo de stilte van eenzaamheid
met aandacht passend te verlichten

waar de klaagzang van het verlies
in droevige stemmen krachtig oprijst
kruipen tussen grijze tegels en stenen
in een frisgroene lentejas gestoken
de narcissen hun knoppen openend
die luider dan de stilte mij vertellen
dat het leven de dood herstellen zal

Bode van herstel

  • Ver-dicht in corona-tijd | 24 maart 2020

dat je begrijpt wat ik bedoel

 

begrijpen2

de woorden
het geven van een naam
aan mijn voelen
het ervaren en weten
ik vind ze niet
en toch
het fluistert
het bruist en borrelt
het waait en stuift
spookt stormachtig
in mijn hoofd
mijn hart – mijn ziel

de boodschap
wat ik zeggen wil
het zoekt zijn weg

voor mij spreken de handen
beeldhouwend of boetserend
grof lijnend of gedetailleerd
in schets of schilderij

mijn handen – mijn bodes
aan wie het horen mag
met de wens
hartstochtelijk gemeend
dat je begrijpt wat ik bedoel

  • overweging geschreven voor de kunstlobby, 14 oktober 2000

fataal verborgen

onzichtbaar dodelijk
onzichtbaar als een sluipschutter
worden de mensen benaderd
om dan aangeraakt te worden
gelijk kleintjes tikkertje spelen
met een onverhoedse handdruk
een zoen of een kus op de wang
als het niet met een niesbui is

de samenleving raakt ontredderd
door gezaaide verbijstering en angst
waar het monster niemand ontziend
onder de leden van de mensen kruipt
die zich de adem benomen voelen
wanneer de dood het leven verstikt
dat zich door ons zo graag vieren laat

Onzichtbaar dodelijk

  • Ver-dicht in corona-tijd | 24 maart 2020