blauw!

agent

‘k heb toezicht
– camera’s –
zwaarwichtigd hij

zit mijn dasje recht
mijn jasje goed

nuchtere bestuurders
schampert hij lensblikkend
– de commissaris van politie-
dronkemanspraat
dát is het

wát nou
méér blauw op straat
met bob
– de bewust onbeschonken bestuurder –
is dát een loze belofte

wíj
wíj gaan voor bert
beschonken, en rijdt toch

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, 28 januari 2002

de gekke kippenziekte – verkiezingskoorts

kippen

’t was, -betrekkelijk, maar toch – stil
– de achterliggende jaren –
in ’t kippenhok

slechts het broedse soort
– af en toe –
tokte het leggen van een ei

het enkel kippetje dat kakelen blééf
– geen schoner ei, dan het eigen ei –
werd de veren geplukt

járen was het rustig
en nu
het hele toom is van stok
praat als een kip zonder kop
ze hanen- en kippenpoten
dwars doorheen capelle

het dorp – de stad
– dat spreekt voor zich –
in rep en roer – in paniek
de mensen zijn
– plots en even maar –
geen burgers meer
maar kíezers
met een stém

vóór vrijheid en democratie
hanekamt de één
– eijndenloos –
terwijl binnendijks
– het ei wijzer dan de kip –
de partij van de arbeid
windeierend victorie kraait

het capels belang
– de “zwienen”-stal –
pronkend met vechthoender dijk’s veren –
krulvedert van den akker
en de barnevelder kleurslag
– de staatkundig gereformeerde partij –
kakelt op zeker
gokken doe je niet
beter een half ei, dan een lege dop

van den wijngaard ondertussen
– kriel van christen unie –
kukelekukt het overtuigd
‘sla het eitje in de pan
dan komt er geen slecht kuiken van.’

onderwijl, in ’t groen, links
– men legt niet alle eieren onder één kip –
scharrelen de democraten
– zesenzestig in getal –
want weet je
een blinde kip
vindt ook wel eens wat

en thuis,
– in het keuzen kamp –
tokkelt kloek het christendemocratisch appel
kakelen
kakelen is nog geen eieren leggen
in de broedmachine,
onder moeder ans d’r vleugels
– twaalf eieren, dertien kuikens –
piept het jong fortuin
leefbaar capelle

het dorp – de stad
– dat spreekt voor zich –
in rep en roer – in paniek

de mensen zijn
– plots en even maar –
geen burgers meer
maar kíezers
met een stém

nederland is
– kopt de krant –
niet klaar voor de griep
er kunnen
– beweert men –
véél slachtoffers vallen

maar het rijkshoen
de burger meester
kortbekt het volk
éven nog – éven nog
en dán
dán gaan ze weer op stok

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, 22 januari 2002

ten toon stellen

tentoonstellen

  • passages uit openingsspeech de kunstlobby, capelle aan den ijssel, 25 augustus 2001

Ten toon stellen, het exposeren van uitingen. Dát is waar het bij de door DE KUNSTLOBBY verzorgde exposities om gaat. Of, en hoe, u en ik ons door die uitingen aangesproken voelen, geraakt zo u wilt, dat hangt weer af van de wijze waarop wij ons al dan niet openstellen voor de door de kunstenaar gekozen ‘taal’. De wijze waarop hij aan zijn uiting expressie geeft. Hoe exhibeert hij of zij zich. Het gekozen materiaal, het wel of niet gebruiken van kleuren, de vorm en het al dan niet ‘herkenbaar’ zijn ervan, spelen daarbij een rol. Het ‘elkaar willen verstaan’ is daarbij van wezenlijk belang.

Als politicus, beste mensen, voel ik mij vaker als een onbegrepen kunstenaar of kunstwerk. En dan, dan zet ik mij opnieuw aan het werk. In de wetenschap “alles is al eens gezegd; maar doordat niemand luistert, moet men altijd opnieuw beginnen” (André Gide, Frans schrijver, 1869-1951; Le traité de Narcisse – 1891). Anders gezegd: “Er zijn geen erger doven dan die niet horen willen.” En dat, beste mensen, vraagt een wederzijds ‘op elkaar gericht zijn’.

Jaren terug ging ik voor het eerst naar Spanje toe. Samen met mijn vrouw en kinderen. We bezochten Museros, een even onder Valencia, en buiten het toeristengebied gelegen dorpje. Een Nederlandse vriendin, getrouwd met een Spanjaard, had ons uitgenodigd. Wij arriveerden eerder dan onze vriendin met haar gezin. Maar spraken geen woord Spaans. En toch communiceerden wij met onze gastheer en gastvrouw. Met horten en stoten, máár: het lukte. Door de omstandigheden gedwongen móesten wij wel. Daardoor verdiepten wij ons wederzijds geconcentreerd in wat zij ons en wij hen duidelijk wilden maken. En, wij begrepen en verstonden elkaar! Toen onze vriendin, Spaanssprekend, arriveerde, werd dat meteen anders. Bij alles wat gezegd werd of moest, gebruikten wij haar voor de vertaling. Makkelijk, en effectief. Zeker.

Maar tegelijkertijd werd het contact met de Spanjaarden zelf oppervlakkiger en vluchtiger. Wij hoefden elkaar niet meer te begrijpen, als onze vriendin dat maar deed!

Wat ik maar zeggen wil: “Iedere taal is schoon voor wie luisteren kan. Want in elke taal zingt de gedachte van een volk en de ziel van een mens, en die muziek is universeel.” (J. – Herman Thierry – Daisne, 1912 – 1978, Vlaams schrijver; Met een inktvlek geboren – 1961). Willen wij de door de kunstenaar of kunstenares gebruikte ‘taal’ verstaan, dan moeten wij ons daarin verdiepen. Persoonlijk! “Concentratie in de verhouding tot anderen betekent in de eerste plaats dat men kan luisteren.” (Erich Fromm, Duits-Amerikaans cultuurfilosoof en psycholoog, 1900-1980; Liefhebben, een kunst, een kunde – 1962) Wij kunnen en mogen ons daarbij feitelijk niet verlaten op anderen. De uitleg is aan de bezoekers zelf. Die bepaald, of hij of zij zich wil laten aanspreken door het geëtaleerde. Of, zoals de Poolse schrijver Jerzy Lec het eens zei: “Ik zou veel dingen begrepen hebben, als men ze niet had uitgelegd.”

De door de kunstenaar of kunstenares gekozen uitingsvorm, zijn of haar ‘taal’, is de inkleding van gedachten, gevoelens. Het is niet dé gedachte, hét gevoel, maar een van de vele. “Als er maar één enkele waarheid bestond, zou men niet honderd verbeeldingen van hetzelfde thema kunnen schilderen.” (Pablo Ruiz y Picasso, Spaans schilder, tekenaar, graficus en beeldhouwer, 1881-1973). Waar het om gaat, is de existentie: het zijn, denken en voelen van de ander, die zijn of haar leef- en denkwereld voor ons ontsluit, in woord, beeld of vorm. Als referentie voor de ontwikkeling en het onderhouden van ons eigen bestaan, ons eigen denken en voelen. Daar is moed voor nodig. Want, jezelf ten toon stellen, van je doen spreken, van jouw opvattingen, ervaringen, ambities en kwaliteiten blijk geven, dat is risicovol: wil de ander wel naar je luisteren, naar je kijken? Wil de ander jou wel ervaren? En dan, dan zijn we terug bij waar het om draait: de existentie: het zijn, denken en voelen van de kunstenaar: iedere moedige daad is je reden van bestaan manifesteren!

 

opsporing verzocht!

zwerfster

een grijs-bruin-grauwe muis
– in felgroen tentzeilen pak –
winkelwagent haar hebben en houwen
door het steedse dorp
dat “schande” schampert
zo een zwerfster
– vandaag de dag –
heeft toch geen pas

opgeruimd moet ze
“staat netjes”
wordt gesproken

het smeulend ongenoegen
vlammend geholpen
– door jeugdig vandalisme –
ver-ast haar laatste goed
als de maatschappij
haar beton-gedekte buitenverblijf
én vrijheid neemt

opgeruimd moet ze
“staat netjes”
wordt gesproken
en het plaatsje
– háár plaatsje –
is grijs-grauw leeg nu

wat rest is het knagend vragen
– luider groeiend –

hoe toch
hoe toch is het haar vergaan
waar toch
waar toch is zij gebleven
óns vrouwtje
óns vrouwtje barendrecht

  • geschreven voor Rotterdams dagblad t.g.v. nationale gedichtendag, januari 2001

dat je begrijpt wat ik bedoel

 

begrijpen2

de woorden
het geven van een naam
aan mijn voelen
het ervaren en weten
ik vind ze niet
en toch
het fluistert
het bruist en borrelt
het waait en stuift
spookt stormachtig
in mijn hoofd
mijn hart – mijn ziel

de boodschap
wat ik zeggen wil
het zoekt zijn weg

voor mij spreken de handen
beeldhouwend of boetserend
grof lijnend of gedetailleerd
in schets of schilderij

mijn handen – mijn bodes
aan wie het horen mag
met de wens
hartstochtelijk gemeend
dat je begrijpt wat ik bedoel

  • overweging geschreven voor de kunstlobby, 14 oktober 2000

Tolken

tolken

  • passages uit openingsspeech de kunstlobby, capelle aan den ijssel, 14 oktober 2000

Wie mens zegt, zegt taal, en zolang een taal levend is, zijn wij niet uitgestorven. Of, om het met Guido Gazelle te zeggen: “Waar geen taal leeft, is geen volk.” Taal is een wonderbaarlijk goed. De Vlaamse schrijver Herman Thiery Daisne (ook wel: Johan) vertolkte dat eens zo: “Iedere taal is schoon voor wie luisteren kan. Want in elke taal zingt de gedachte van een volk en de ziel van een mens, en die muziek is universeel.”

Taal kent veel verschijningsvormen. Ik zal u niet vermoeien met een uitputtend overzicht daarvan. Ik noem, als voorbeeld slechts, de spreektaal, de gebarentaal en de gespierde taal.

We kennen ook vreemde talen. Zoals gekkigheid, cabaret, en de taal van ons gevoel, ons innerlijk. En, hoewel “de taal nog steeds het gebrekkigste en duurste middel is om gedachten uit te drukken” (William James, Amerikaans psycholoog en filosoof), in het algemeen spreken en verstaan wij onze (moeder) talen goed. Soms echter klinkt zij ons vreemd in de oren, is de taal van de ander voor ons niet te verstaan. Of liever: nóg niet te verstaan. Zouden wij ons in de taal van die ander, hoe dan ook vormgegeven, verdiepen, dan zou het begrip ervoor en de diepere betekenis ervan – de boodschap – soms bloembed mooi, ons duidelijker worden.

Het is met vreemde woorden, alsof je een onscherpe foto bekijkt. De essentie ervan openbaart zich eerst als het beeld helder wordt, als het wordt ‘vertaald’.

Een tolk bewijst daar vaak onmisbare diensten. Door het werk van de vertaler, de tolk, krijgen wij oog voor de boodschap van de ander. Het werk van de tolk vormt dan steeds de blikvanger voor de oorspronkelijke bron ervan.

Beeldende kunstenaars zijn hun eigen tolk. Het zijn vakmensen die, ieder op eigen en onnavolgbare wijze, de vertaling vinden voor en geven aan het eigen voelen en ervaren. Meer dan hun taaltolkende collega’s ligt hun vertaalkracht in het geven van vormende weergave aan dat wat met woorden voor hen vaak onzegbaar is. Een beeld, een tekening of schilderij, een aarden werk, het is vertaalwerk van unieke, want persoonsgebonden kwaliteit.

Het werk van de tolk, het geven van een vertaling, is een poging om een oorspronkelijke boodschap, tot dan toe vreemd, onuitgesproken, onzegbaar, ongezien of onbegrepen, voor anderen verstaanbaar te maken, te openbaren. Het blijft echter een poging! Want, als de ontvanger van de boodschap zich door de aangeboden bron van oorsprong of de daarvan gegeven vertaling niet aangesproken weet of voelt, dan blijft hij of zij onbegrijpend. Kunstenaars echter blijken tolken van uitzonderlijke kwaliteit. Altijd weten zij hun publiek te raken. Is het niet met de juist door hen met hun vormgeving bedoelde emotie, dan is het wel met een appèl aan de eigen emoties en gevoelens van hun publiek. Variërend van ‘getroffen zijn door’ tot ‘irritatie over’ de ervaren uitvoering of voorstelling. Maar welk onthaal het werk van de tolk ook krijgt, hij of zij verdient te allen tijde waardering, omdat hij of zij op enige wijze heeft geprobeerd zich tot de ander te richten, zich verstaanbaar te maken. En alleen al dat gegeven maakt hen tot fantastische mensen.

Vertalen is verraden! Niet in de negatieve betekenis ervan – iemand er bij lappen – maar in de positieve zin: zich blootgeven! En, zoals de Franse toneelschrijver Armand Salacrou het ooit eens zei: “Wat er niet is, kun je niet verraden.”

Effe een leffie doen…

leffe

  • passages uit openingsspeech galerie lef, capelle aan den ijssel, 21 mei 2000

“Effe een leffie doen!” Kent u die uitdrukking? Ik las hem, – toevallig -, in een boek over de oorsprong en verklaring van de Nederlandse taal. Onlangs. In een boekwinkel. Het type winkel waarin ik graag vertoef. De betekenis ervan: iets gewaagds doen. Iets doen, waar LEF voor nodig is! Lef, synoniem van en voor durf, dapper, moed!

U vraagt zich misschien af, wat een politicus doet bij een gelegenheid als deze. En nog wel als gastspreker ook! Want, zoals de Oostenrijkse schrijver Peter Handke ooit schreef: “Wat veel politici niet in hun hoofd hebben, hebben ze veelal in hun strottenhoofd.” Of, om het met de Nederlandse letterkundige Jan Greshoff te zeggen: “Er zijn twee soorten politici: zij die hun taal gebruiken om hun gedachten te verbergen en zij die hun taal gebruiken om te verbergen dat zij geen gedachten hebben.”

Het getuigt dus van LEF dat de organisator dit waagstuk met zo een potentieel leeghoofd begint. Waarbij ik mij haast – dankbaar voor de geboden gelegenheid tot rehabilitatie – op te merken dat de keuze voor een politicus als gastspreker bij een bijzondere gebeurtenis als deze ook weer niet zó vreemd is. Want er is meer overeenkomst tussen politiek en kunst dan u zich wellicht realiseert! Kunstenaars en politici kunnen alleen hun best doen: bijval kunnen zij, zomin als respons in de liefde, niet afdwingen. Ook politiek is vorm. Esthetiek à la de kunstenaar, het is de kunst van het ivoordraaien à la Bas de Gaay Fortman. Het theatrale, de exposure en de verpakking moeten de inhoud, het authentieke niet overschaduwen, maar deze elementen zijn voor het politieke succes wel onmisbaar geworden. En zijn niet juist de esthetiek, de betrokkenheid, het creatieve en theatrale, de exposure en de verpakking de essenties die het handelen van de kunstenaar, en de resultante daarvan, bepalen!

Het divergeren begint daar, waar de politiek tot compromissen komt. Het ideologische, het ideaal bijstelt tot op het niveau van de democratische haalbaarheid. Zich laat vertalen tot een afspiegeling van de maatschappij en maatschappelijke opvattingen. De kunstenaar echter, maakt niet de afspiegeling, het beeld van de wereld, maar is náár het beeld van de wereld!

Of, zoals de Engelse dichter en schilder Gabriel Rossetti het eens schreef: “Conceptie, mijn jongen, fundamenteel hersenwerk, dat is nou precies waarin kunst zich onderscheidt.”

Kunst is een manier om moed te verzamelen. Kunst is “Effe een leffie doen!” Waaghalzerij, lef, moed, durf. Dat is nodig ook, zeker als je als kunstenaar besluit om jóuw creaties, jouw waarheid, jouw herschepping van gevoelde verbeelding, met anderen te delen. Want alleen voor moed is geen weg onbegaanbaar! En kunst is een ultieme ontdekkingsreis. Of, om het met Simon Vestdijk te zeggen: “De onuitputtelijkheid van kunstwerken berust minder op hun ingewikkelde structuur – alle kunstwerken zijn even ingewikkeld, of even eenvoudig, al naar men het nemen wil – dan op de belofte, dat de ervaring van het ‘nooit zullen kennen’ steeds te hernieuwen zal zijn.”

Politiek en kunst. Zoals een kunstenaar door zijn werk meerwaarde probeert te geven aan de werkelijkheid, zo probeert een politicus door politieke representatie een meerwaarde te geven aan belangenbehartiging en wel door deze te integreren in politieke besluitvorming. Esthetiek als metafoor. Politiek en kunst als creatieve daad. Politiek en kunst als vormen van esthetiek waarin vorm en inhoud samen komen. Politiek zowel als kunst staan voor betrokkenheid en distantie tegelijkertijd. Betrokkenheid vormt het hart van het handelen van de kunstenaar zowel als van het democratische gedachtegoed. Betrokkenheid kan echter alleen goed en adequaat functioneren indien er ook een zekere vorm van distantie is.

En, zoals ik eerder al zei: “Kunstenaars en politici kunnen alleen hun best doen: bijval kunnen zij, zomin als respons in de liefde, niet afdwingen.” Het verschil zit hem hierin: een politicus kan mislukken. Een kunstenaar niet; het is al een succes er een te zijn!

bedrog kan ons de ogen openen!

 

bedrog

  • passages uit openingsspeech de kunstlobby, capelle aan den ijssel, 8 april 2000

“Passiespelen op zoek naar Jezus!” Een krantenkop. Zoals velen. Ze prikkelen. Wat wordt er bedoeld? Waar gaat het over? Bij lezing wordt de nieuwsgierigheid getart. Op het eerste gezicht, komt het beeld naar voren van een groep van mensen welke via het passiespel op zoek gaat naar de persoon van Jezus. Bij nadere beschouwing echter blijkt: er heeft zich nog geen geschikte kandidaat gemeld die de rol van Jezus in een op te voeren Passiespel kan vervullen!

De Franse schrijfster Nathalie Sarraute schreef eens: “Men heeft de taal nog niet uitgevonden die in één keer kan zeggen wat men in een oogwenk waarneemt.” In het voorgaande gaat het daar om: wat we in een oogwenk ‘snellen’ is niet wat de schrijver ons wil zeggen. Iets, dat zeker ook op gaat als het de kunst betreft. Niets is eigenlijk moeilijker eigen te maken dan de kunst waarnemen.

Kunst is bewerkte waarheid. Bedrog zo u wilt. Maar, het bedrog heeft ook zijn goede kanten: het kan ons de ogen openen! Herman Pieter Belcampo zei het eens zo: “De kunst begint pas waar de waarheid ophoudt.”

Máár, waarheid is zelden zuiver en nooit eenvoudig. Ze is als een geslepen diamant: heeft vele facetten. Waarheid kunnen we proeven, voelen en zien. Zoals we kunst proeven, voelen en zien! De kunstenaar heeft zijn waarheid gehoord, begrepen, geprezen en verwerkt en vervolgens tot iets van zichzelf gemaakt. Er zijn of haar eigen verbeelding aan gegeven. Zo ook moeten wij de de Franse schrijver Francois Mauriac begrijpen als hij schrijft dat “de kunstenaar het met de waarheid niet nauw neemt, maar dat zijn kunst oprecht is.” Ik denk dat dáár ook de kracht ligt van de kunstenaar. Dat hij of zij zich vooral laat leiden door de waarheden die persoonlijk zijn ontdekt. Of, zoals de Duitse filosoof (Theodoor Wiesengrund) Adorno het zegt: “Kunst is magie, bevrijd van de leugen waarheid te zijn”. Persoonlijk voeg ik daaraan toe: “en de waarheid kan soms onwaarschijnlijk zijn!”

“De waarachtige kunstenaar ontdekt, ook in het uiterlijk zeer alledaagse, het onalledaagse, het bijzondere (H. Marsman).” Kunst immers, is geen papje, geen snoepje waarvoor je alleen je bek open hoeft te doen. Het is vooral een kwestie van aandacht en geconcentreerde energie. Een ontdekkingstocht naar de ware bedoeling van de kunstenaar. Een waarheid, een bedoeling die wij, op het eerste gezicht, – en vaak ook bij nadere beschouwing -, niet direct zien, voelen of proeven. Juist daarom is echte kunst in staat ons zenuwachtig te maken. Wat bedoelt hij of zij? Wat beweegt hem of haar?

dag gerrit, dag kerel!

krijt 2

midden in het leven stond je nog
– eigenlijk –
nog zoveel wilde je geven
zoveel ideeën te verwezenlijken nog
en plannen
plannen te over

en nu
nu is het voorbij
over

nu rest nog het denken
– de herinnering –
aan vervlogen momenten
en is er de pijn
– voor wie bleven –
van het gemis
er is ook een gevoel van rust
van weten

weten
dat je mag rusten
in vrede
in de overtuiging ook
dat je mensen achterliet
mensen die jouw naam
– blijvend –
dragen en noemen
in herinnering
aan wie je was
of wilde zijn

dáárom
nu het voorbij is
overtuigd en welgemeend
dag gerrit
dag kerel
het was goed
goed dat jij er was

  • overweging, geschreven voor gerrit krijt

dag gerrit, dag kerel!

krijt

  • overweging, geschreven voor gerrit krijt

Tijdens de opening van de tentoonstelling voor de kunstlobby op 29 mei 1999 werd ook stil gestaan bij het afscheid dat de leden van DE KUNSTLOBBY moesten nemen van het zeer gewaardeerde lid Gerrit Krijt. Gerrit, 70 jaar werd hij, had een groot aandeel in het werk van DE KUNSTLOBBY. Nooit op de voorgrond tredend, en altijd nadrukkelijk bezig. Hij onderhield onder meer de contacten met de kunstenaars in het Hotel Golden Tulip, hield de voorbesprekingen en was aanwezig bij het wisselen van de kunstwerken.

Gerrit was zelf beeldend kunstenaar en musicus. Vele jaren was hij actief als klarinettist bij verschillende en grote professionele orkesten, waaronder het Rotterdams Filharmonisch Orkest. Na zijn pensionering heeft hij zich vol overgave geworpen op de schilderkunst. Hij schilderde op een abstract expressionistische wijze, kleurrijk en dynamisch. Enkele van zijn werken werden door het gemeentebestuur van Capelle aan den IJssel aangekocht.